Hoofdstuk 4.

Vijf basiskenmerken van sport

Binnen de sportfilosofie is door verscheidene auteurs geprobeerd de grenzen van het begrip sport – de zogenoemde eigenheid – zo duidelijk mogelijk vast te leggen (Steenbergen, 2004; Klein, 2017; Morgan, 2018). Hoewel wordt geprobeerd scherpe grenslijnen te trekken tussen het begrip sport en de activiteiten die hier binnen en buiten vallen, wordt al snel duidelijk dat haarscherpe grenzen moeilijk aan te geven zijn. Dat scherpstellen is haalbaar wanneer er duidelijke kenmerken zijn. Bijvoorbeeld rond spel, fysieke vaardigheid en een regelgevende organisatie. Dit is echter een illusie. Het is voor het begrip sport onmogelijk om een vaste set noodzakelijke en voldoende voorwaarden op te stellen.

Kerngevallen en grensgevallen

Sport is een begrip met vage grenzen, waardoor geen duidelijke scheiding is te trekken tussen sport en niet-sport. Er zijn altijd wel activiteiten die we geen sport noemen, maar wel binnen een definitie vallen. Ook zijn er activiteiten die we wel sport noemen, maar die niet voldoen aan de definitie. Er zijn activiteiten waarover iedereen het eens is en er zal over bepaalde gevallen discussie zijn. Denk aan de discussies over bijvoorbeeld fitness, theatersport, hondenrennen, schaken, bridge, darts, aerobics, beweeggames, duivenmelken, ‘bommetje springen in het zwembad’, poker, fingerboarden, speleologie, mudraces, trailrunning en dus ook esports. Er wordt wel gezegd dat sport het best kan worden omschreven als één grote ‘familie’ waarbinnen activiteiten vallen, die niet één of een aantal kenmerken gemeenschappelijk hebben. Dat wordt ook wel de essentialistische positie genoemd. Maar er bestaat wel een zekere verwantschap tussen die activiteiten (vergelijk Crum, 1991; Tamboer & Steenbergen, 2000; Steenbergen, 2004). De sportfamilie bestaat dus uit kerngevallen, dat wil zeggen activiteiten waarover iedereen het eens is dat het sporten zijn en grensgevallen, activiteiten waar dus geen consensus over is. Esports is blijkbaar zo’n grensgeval.

De dominante visie op sport

Over de vraag of esports een vorm van sport is, wordt hoofdzakelijk als volgt (sport)filosofisch geredeneerd: er zijn bepaalde kenmerken die als definitie gelden voor sport en die we allemaal zien binnen de zogenoemde traditionele sport. Denk vooral aan de sportactiviteiten op de Olympische Spelen. Deze traditionele sport vormt de harde kern van de sportfamilie. Hoewel er meerdere auteurs zijn die zich sinds de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw (zie Steenbergen 2004) hebben gebogen over de vraag welke kenmerken definiërend zijn voor sport, is het vooral Bernard Suits (1973; 1978; 1988) die de toon heeft gezet. Hij schreef diverse artikelen over wat hij noemt de ‘tricky triad’: game, play en sport. De volgende kenmerken worden als definiërend aangemerkt voor sport:

  1. Game
  2. Vaardigheid
  3. Fysieke vaardigheid
  4. Brede verspreiding
  5. Institutionalisering
"Sport heeft altijd te maken met vaardigheden die getest worden. Sport is een vaardigheidsspel (‘game of skill)’. Dat betekent dat de uitkomst van sport niet wordt bepaald door kans of toeval, maar door de uitoefening van specifieke vaardigheden."

1. Sport is een spel in de betekenis van game

In de Engelse taal wordt de term spel in twee betekenissen gebruikt: in de zin van play en van game. Het verschil is het beste uit te leggen als het verschil tussen het werkwoord spelen en het zelfstandig naamwoord spel. Met play wordt een bepaalde attitude of grondhouding bedoeld. We spreken wel van een speels persoon of iemand die zich speels gedraagt. Spelen in deze zin kan zich manifesteren in sport, maar ook binnen andere activiteiten zoals schrijven, wetenschap beoefenen en presenteren. Play is niet per definitie voorbehouden aan sport, hoewel de spelende mens zich hierbinnen wel vaak manifesteert. Ook is play volgens de meeste sportfilosofen niet definiërend voor sport. In de typering van sport als game sluiten veel sportfilosofen zich aan bij die van Suits. Voor Suits (1973; 1978) is sport altijd een vorm van spel, in de betekenis van een game. Kenmerkend voor een game is volgens hem de aanwezigheid van tenminste de volgende vier elementen:

  • Speldoel. Binnen ieder spel proberen de spelers een bepaald doel te bereiken. Welk spel het ook is, ieder spel is gericht op een bepaald intrinsiek doel.
  • Spelmiddelen. Binnen een game mogen in de realisering van het speldoel slechts bepaalde middelen worden aangewend. Alleen de geoorloofde middelen mogen worden gebruikt tijdens de poging om het speldoel te realiseren. Dit zijn de spelmiddelen. Bijvoorbeeld bij voetbal niet met de handen scoren.
  • Spelregels. Spelers laten zich leiden door bepaalde spelregels. Deze spelregels verbieden de meest efficiënte middelen om het doel te bereiken. Het effect van de spelregels is dat ze obstakels opwerpen op weg naar het speldoel.
  • Spelhouding. De spelregels worden door spelers vrijwillig geaccepteerd, alleen omdat de spelregels de activiteit als zodanig mogelijk maken. Het spelen van een spel veronderstelt met andere woorden een spelhouding. Dat wordt ook wel fair play genoemd.

Spel in de betekenis van een game is het welbewust opwerpen van onnodige obstakels. In een game zijn die obstakels (regels, tijd, locatie en attributen) de kern. Dit in tegenstelling tot veel andere situaties, zoals op het werk of in het verkeer, waarin die obstakels juist irrationeel zijn. Voor uitgebreidere uitleg, zie Tamboer & Steenbergen (2000, pp.31 t/m 41).

2. Specifieke vaardigheden

Sport heeft altijd te maken met vaardigheden die getest worden. Sport is een vaardigheidsspel (‘game of skill)’. Dat betekent dat de uitkomst van sport niet wordt bepaald door kans of toeval, maar door de uitoefening van specifieke vaardigheden. Natuurlijk speelt toeval een rol, maar binnen sport wordt altijd geprobeerd om, bijvoorbeeld door training, de kans of het toeval uit te sluiten en de uitkomst zoveel mogelijk op grond van bepaalde vaardigheden tot stand te brengen. Met het kenmerk vaardigheid worden kansspelen zoals poker, roulette of Black Jack dus buiten de sport gehouden. Vaardigheden worden in de sport getest in wedstrijden en in competities. Vaak worden bepaalde indelingen aangehouden om het testen ervan zo eerlijk mogelijk te maken: speelsterkte, leeftijd, gewicht en sekse.

3. Fysieke vaardigheden als scheiding

Het gaat in de sport niet alleen om vaardigheid en het testen hiervan, maar ook om fysieke vaardigheid. Dat wil zeggen dat in de realisering van het (spel)doel, fysieke vaardigheden bepalend zijn voor de uitkomst (ver gooien, hard lopen, hoog springen, ergens in mikken, etc.). Het is dan ook niet moeilijk een scherpe lijn te trekken tussen games aan de ene en physical games aan de andere kant. Voorbeelden zijn games als schaken, dammen en bridge. Suits stelt hierover: ‘What kind of skill do we find in the class of activities we call sport?’. And the answer is ‘Physical skill’. Thus, chess and bridge appear to have all the features requisite for something to call as a sport, except that they are not games of physical skill.’ (Suits 1973, p.53). Het voert hier te ver om een uitgebreide analyse te houden over fysiek en niet-fysiek en waar de grens precies is te trekken. Tamboer (1992, 1994) is in de jaren negentig uitgebreid ingegaan op dit kenmerk en wat hiermee wordt bedoeld. Hij stelt dat de scheidslijn tussen sport en niet-sport moeilijk te bepalen is op grond van fysiek versus niet-fysiek. Als er al een grens is te trekken op grond van dit kenmerk, dan gaat het vooral om de manier waarop het speldoel wordt gerealiseerd. Zo is het speldoel van schaatsen bijvoorbeeld als eerste de lijn passeren. Dat valt binnen de regels en kan niet anders dan door middel van bepaalde bewegingen. Heel anders bij activiteiten zoals schaken en dammen, waar het realiseren van het speldoel niet afhankelijk is van bepaalde bewegingen.

4. Brede verspreiding

Om als sport te worden aangemerkt moet er altijd sprake zijn van een bepaalde verspreidingsgraad. Bepaalde games zijn, doordat ze niet breed worden beoefend, niet aan te merken als sport, maar eerder als een rage (hoelahoep) of een lokaal gebruik respectievelijk folklore (klootschieten).

5. Institutionalisering

Wil een game als sport erkend willen worden, dan geldt dat er sprake moet zijn van een bepaalde organisatiestructuur. Een eigen bond, zowel nationaal als internationaal, maakt het mogelijk op een gestandaardiseerde wijze wedstrijden en kampioenschappen te organiseren en prestaties met elkaar te vergelijken. Vooral voor wedstrijdsport is deze zogenaamde institutionalisering noodzaak. Pas wanneer games zijn aangesloten bij een bepaalde organisatie – denk aan bonden en federaties – wordt het mogelijk om bindende regels op te stellen en waarvan de naleving uiteindelijk bij de overkoepelende organisatie ligt. Bijvoorbeeld regels ten aanzien van standaardisering over het gebruik van materiaal, de wijze waarop competities worden ingedeeld, het naleven van fair play en de spelregels. Door zo’n onafhankelijke organisatie wordt het mogelijk prestaties op een eerlijke manier met elkaar te vergelijken.■

Terug naar de inhoudsopgave?