Hoofdstuk 3.

Visies op esports

‘Is esports een volwaardige sport?’ Dat is een vraag die regelmatig wordt gesteld. In 2019 vond slechts 6% van de Nederlanders esports een sport (Van den Dool, 2019). Daarom is het interessant om die discussie te belichten vanuit de beleidsmatige hoek en vanuit de sportfilosofische literatuur.

Visie esports IOC

Het Internationaal Olympisch Comité ►(IOC) liet in december 2018 weten dat het nog niet aan de orde is esports als een (medaille)sport op te nemen binnen het Olympisch programma. Het IOC kan naar eigen zeggen niet voorbijgaan aan de enorme populariteit en groei van deze ‘games’ en dat zij een concurrent zijn voor de vrijetijdsbesteding van vooral jongeren. Hoewel de lichamelijke activiteit van competitief gamen vergeleken kan worden met wat vereist is voor enkele traditionele sporten, betekent dat niet dat esports moet worden opgenomen in het Olympisch programma. Om hiertoe over te gaan, aldus het IOC, moet er meer studie worden verricht en een dialoog op gang komen met belangrijke stakeholders in de esports en e-games industrie.

Twee bezwaren vallen in hun communiqué het meeste op. Allereerst zijn bepaalde e-games niet verenigbaar met de Olympische waarden. “We cannot have in the Olympic program a game which is promoting violence or discrimination.” (Thomas Bach, voorzitter van het IOC in september 2018). In de tweede plaats vindt het IOC dat de game-industrie uitermate gefragmenteerd is, met stevige competities tussen commerciële partijen die vooral economische doelstellingen hebben in plaats van dat ze waardegedreven zijn. Met andere woorden, het gaat bij e-games vooral om winst en omzet en minder of in het geheel niet, om het respecteren van waarden als sportiviteit, respect, fair play en juiste opvoeding van de jeugd. Deze bezwaren vormen voor het IOC niet een definitief oordeel. Wel dat het op dit moment nog te prematuur is om esports op te nemen in het Olympisch programma. Het IOC besluit in zijn communiqué: “It was decided that the IOC/GAISF will invite stakeholders of the esports s s/e-games industry to a liaison group to explore jointly collaborative projects.”

IOC en ►GAISF hebben in 2018 een Esports Liaison Group (ELG) opgericht voor samenwerking met de esports sector. De internationale esports federatie (IESF) heeft samenwerking gezocht met de Aziatische esports federatie (AESF) en hiermee laten ze volgens GAISF progressie zien op bestuurlijk niveau. Ook worden stappen gezet als het gaat om valsspelen en fraude tegen te gaan in esports, in de vorm van de Esports Integrity Coalition ►(ESIC).

In januari ►2020 zei IOC-voorzitter Thomas Bach dat het IOC gaat overwegen esports toe te laten op de Olympische Spelen. Dat wil zeggen zonder geweld. Wellicht maken Rocket League, Pro Evolution Soccer en FIFA misschien wel een kans? Het not-for-profit principe van het IOC stelt dat alle opbrengsten van Olympische sporten moeten terugvloeien naar de kerndoelen van de Olympische sport (breedtesport, sportinfrastructuur, sportondersteuning en opleidingen), maar bij esports gaat het grootste deel van de opbrengsten naar de uitgevers. Deze horde is volgens Tandonline niet zomaar genomen.

Visie esports in Europa

In maart 2017 ontstond op het ►EU Sport Forum, destijds georganiseerd in Malta, een discussie of esports wel als sport moet worden aangemerkt. Tijdens dat forum was er vooral kritiek op hoe esports is georganiseerd en de aard en mate van institutionalisering. Vooral het gebrek aan een overkoepelende organisatie die onafhankelijk is en toeziet op naleving van de regels, kwam naar voren. Zo’n organisatie zou belangrijk kunnen zijn in het geval van matchfixing, doping en andere zaken die te maken hebben met het opstellen en naleving van de spelregels. Het verwijt was dat het nu alleen de ontwikkelaars van de games zijn, die die regels bepalen. Vanuit juridische hoek – bijvoorbeeld wat betreft fiscale vraagstukken als inkomstenbelasting, omzetbelasting en BTW – bogen het OESO en het Hof van Justitie EU zich eerder over de vraag of esports een sport is (zie ►Van Overbeek & Molenaar, 2019). Vergelijkbaar is een discussie of bridge al dan niet een sport is (zie ►Abanazir 2019 over de parallellen met de discussie over esports). Het ►Hof van Justitie EU kwam toen tot de conclusie dat bridge niet als sport kon worden gezien, omdat het fysieke aspect verwaarloosbaar is en daarom ook de btw-vrijstelling voor sportbeoefening niet van toepassing is. En zo zijn er meer voorbeelden te geven van de discussie over de vraag of esports een vorm van sport is. Die voorbeelden maken duidelijk dat het antwoord op die vraag ook consequenties heeft. De vraag ‘wat is sport en hoe verhoudt sport zich ten opzichte van esports?’ is er een die vooral (sport)filosofisch van aard is. Het is dan ook geen verrassing dat juist in die literatuur uiteenlopende antwoorden worden gegeven op die vraag. In dit ebook is er gekeken naar publicaties in twee vooraanstaande tijdschriften: het Journal of the Philosophy of Sport en het meer recente Sport, Ethics and Philosophy.

"De vraag ‘wat is sport en hoe verhoudt sport zich ten opzichte van esports?’ is er een die vooral (sport)filosofisch van aard is."

Conceptuele helderheid

In de sportfilosofische literatuur gaat de discussie over de vraag hoe esports zich verhoudt tot sport vooral om het streven naar conceptuele helderheid. Met als doel om de begrippen te verduidelijken en af te bakenen. ►Simon Blackburn (2001) spreekt in dit verband van de filosoof als ‘conceptueel ingenieur’. Want zoals een ingenieur de structuur van materiële dingen bestudeert, zo bestudeert een filosoof de structuur van het denken. Deze structuren geven vorm aan de kijk op de wereld en de wijze waarop de aardbewoners haar beschouwen. Stel iemand is uitgesproken en geeft aan dat esports geen sport is. ‘Sport is toch het testen van lichamelijke vaardigheden en dit is toch niet aan de orde in deze videospelletjes. Esports zijn spelvormen, niet meer en niet minder!’. Een conceptueel ingenieur zoekt dan uit wat diegene hier precies mee bedoelt en welke argumenten voor deze uitspraak worden gegeven. Wat wordt bedoeld met ‘spel’ en ‘lichamelijke vaardigheden’ en waarom zijn deze eventueel wel definiërend voor sport en niet voor esports? Kortom, welke veronderstellingen en argumenten zijn van invloed op de uitspraak ‘esports is geen sport!’ De Nederlandse filosoof Duintjer (1977, p.18/19) noemde dit ooit het ‘analytisch moment’ van filosoferen. Dat wil zeggen het verhelderen, bewust maken en bespreekbaar maken van wat als vanzelfsprekend beschouwd wordt. Deze gerichtheid op verhelderen en bewust maken, brengt een zekere distantie met zich mee, iets dat de auteurs in deze beschouwing willen behouden. Ze geven aan welke lijnen auteurs trekken tussen sport en esport en brengen alternatieven in beeld. De houding is beschouwelijk en met een zekere afstand tot dit onderwerp en voor de auteurs noodzakelijk voor het verhelderen van standpunten of uitgangspunten over en van esports.■

Terug naar de inhoudsopgave?